Dag van het socialisme
werkgroep multiculturaliteit
(verslag: Ico Maly, Mohamed El Omari)

1.Inleidende lezingen door Aleidis Devillé, Nadia Fadil en Sami Zemni

De werkgroep multiculturalisme in het kader van De dag van het Socialisme startte met drie inleidende lezingen, verzorgd door Aleidis Devillé, Nadia Fadil, en Sami Zemni:

Perspectief 1: Aleidis Devillé

Aleidis Devillé beet de spits af met een pleidooi om meer te focussen op gelijkenissen tussen mensen. “Die culturele verschillen waar men het zo vaak over heeft, zijn relatief makkelijk overbrugbaar. Maar vandaag merk je dat daar echter sterk de nadruk op gelegd wordt. Dat merk je bijvoorbeeld ook in het algemeen welzijnswerk waar men bijvoorbeeld een Turkse avond organiseert. Uiteraard zijn dergelijke initiatieven gegroeid uit goede bedoelingen, maar ongewenst treedt zo terug een versterking op van die verschillen.”

Aleidis Devillé is dus voorstander om in eerste instantie te kijken naar de gelijkenissen in plaats van de verschillen. “Kijk je naar de onderwijscontext, dan merk je ook daar dat er constant over autochtoon en allochtoon gesproken worden. Terug met goeie bedoelingen uiteraard, maar de verschillen worden wel terug benadrukt.” Op dit verder te illustreren gaf Aleidis Devillé het voorbeeld van een studente die aparte vragenlijsten had gemaakt voor politici van allochtone origine. Alsof dat zij een andere manier van politiek bedrijven. Probleem hiermee is volgens Aleidis Devillé, dat als je altijd over die verschillen spreekt, je deze verschillen ook automatisch verstrekt. Swynegdouw kaart ook aan dat de houding van de Belgen t.a.v. allochtonen niets veranderd is in de laatste 20 jaar. Dat is volgens een vakbondsman het falen van links. Omdat we de ander bijna zien als een ander type mens, nochtans is dat natuurlijk niet het geval.

Het beleid dan, dat beleid legt de nadruk op inclusie. Iedereen hoort ervan en de meeste zijn ervoor. Aleidis Devillé echter is van mening dat ook een doelgroepenbeleid van cruciaal belang is. “Natuurlijk is inclusief onderwijs goed, maar er moet ook een koppeling gemaakt worden met de ongelijkheid in de samenleving. En dat is geen cultureel probleem, maar een probleem van achterstelling. En een probleem van taal. Immers leren in een andere taal is natuurlijk niet zo makkelijk en vereist extra inspanning.”

Vervolgens wijst Aleidis op de tendens om voorwaarden te koppelen aan bepaalde vormen van dienstverlening (bv. taalvoorwaarde i.h.k.v. de sociale huisvesting, bv. voor een leefloon, moet men een integratiecontract tekenen). Wanneer men voorwaarden gaat verbinden aan rechten en diensten voor de zwaksten van de samenleving -hoewel dat die voorzieningen er net zijn voor hen- wat blijft er dan over van die rechten? Waar moeten deze zwaksten dan naartoe?

Als laatste punt haalt Aleidis Devillé de problematiek van mensen zonder papieren aan in onze samenleving. Het is volgens haar een echte schande dat deze mensen uitgesloten worden van allerhande voorzieningen, zoals OCMW-dienstverlening… Hoewel de mensenrechten voorschrijven dat mensen zonder papieren toegang moeten hebben tot deze voorzieningen, worden ze uitgesloten van deze rechten. Mensenrechten respecteren gaat altijd over gemarginaliseerde groepen, net daarom zijn die mensenrechten er gekomen. Dat verhindert echter niet dat ook bij ons mensen zonder papieren nu extra uitgesloten worden. De mensenrechten zijn dode letter voor hen. Bovendien is dat een relatief grote groep die ook groeit en het blijkt alsof dat wij dat normaal vinden dat zij geen beroep kunnen doen op deze rechten. Vreemd genoeg zijn wij met z’n allen akkoord dat de mensenrechten niet gelden voor mensen zonder papieren…

Perspectief 2: Nadia Fadil

Na Aleidis Devillé nam Nadia Fadil het woord. Zij had een dubbel gevoel bij het bestaan van deze werkgroep multiculturalisme. Eigenlijk had ze hier niet willen zitten. Althans niet in een werkgroep genaamd ‘multicutluralisme’. Nadia Fadil heeft immers niet de indruk dat ze zich inzet voor een ‘multiculturele samenleving’. Ze heeft eerder de indruk dat ze –zonder een heel duidelijk ideologisch kader voor ogen– zich vooral inzet voor gelijkwaardigheid en erkenning van de verschillende maatschappelijke segmenten van onze samenleving. Een andere term die hier ook voor wordt gebruikt, en die ze ook liever gebruikt, is democratisering. Democratisering is cruciaal in het socialistisch gedachtegoed. En dat is volgens haar de strijd die we moeten voeren.

Het feit dat er een aparte werkgroep ‘multiculturalisme’ georganiseerd is, is voor haar een teken aan de wand. Het wijst erop dat ‘links’ niet capabel is om los te komen van een dominant discours. Een dominant discours dat bevolkingsgroepen in ‘hokjes’ indeelt, en dat bepaalde maatschappelijke problemen, zoals werkloosheid of schoolachterstelling met specifieke doelgroepen verbindt. “De term die wij vaak in ons dagelijks leven gebruiken om dit uit te drukken, is de tweedeling tussen autochtoon en allochtoon.”

Het belang van de semantiek
De eerste taak van links is dan semantisch. Nu hoort ze al de kritiek: dat het de structuren zijn, enz. Een eerste opdracht voor links is daarom semantisch. Ik hoor jullie al zeggen: ja maar, zo belangrijk is die woordenschat toch niet. Het gaat toch vooral om de ‘structuren’, we moeten daaraan werken. Dat discours dat is alleen taal en we moeten toch een manier vinden om mensen te benoemen.

Het semantische, of de taal, is echter niet zo onschuldig als het lijkt. Taal beschrijft immers niet alleen, het maakt ook in grote mate onze samenleving. Het structureert onze blik en de realiteit. Het bepaalt hoe we naar zaken moeten kijken, hoe we ze moeten interpreteren… Als we bv. allerlei problemen gaan benoemen als een “integratieprobleem”, dan gaat het eigenlijk enkel over allochtone problemen… en voelt een groot deel van de samenleving zich niet aangesproken.

Die tweedeling tussen allochtoon en autochtoon zorgt ervoor dat bepaalde bevolkingsgroepen buiten de collectieve verbeelding worden geplaatst. De allochtonen zijn nog geen echte burgers, zij moeten nog inspanningen doen, vooraleer ze kunnen behoren tot de echte bevolking. Het is echter nog altijd niet duidelijk welke inspanningen een allochtoon moet leveren om geen allochtoon meer te zijn. De ‘echte’ Belgen of Vlamingen zijn de autochtonen, de allochtonen daarentegen zijn degenen die bepaalde kwalificaties ontberen om als ‘volwaardige burger’ te worden gerekend. Het zijn diegenen die ‘ons’ (de autochtonen) moeten uitleggen waarom allochtonen zus of zo handelen, alsof er een symbiotische band bestaat tussen dat ‘ras’ van de allochtonen. De tweedeling autochtoon/allochtoon is –met andere woorden– een racistische logica die de bevolking in twee ruime groepen opdeelt en deze hiërarchiseert. Van de autochtoon wordt nooit een ‘integratie-eis’ verwacht, hij is het van bij geboorte. De allochtoon –daarentegen– zal aan de hand van zijn overtuigingen of gedragingen moeten aantonen dat die overeenkomt met een ‘ingebeelde norm’, dat die ‘geïntegreerd’ is. Maar zelfs dan blijft hij of zij allochtoon..

Maar een laatste, en een fundamenteel gevolg van deze tweedeling en het ‘nichedenken’ rond multiculturalisme is dat het ons niet toelaat om de ware inzet van de discussie –en de strijd– in te zien, en dat is deze van democratisering.

Democratisering
Men heeft snel de neiging de democratisering van de samenleving te herleiden tot een kwestie van formele participatie. Het feit dat men kan stemmen, dat men over gelijke juridische rechten beschikt zorgt er al te snel voor dat men van een ‘democratische’ maatschappij spreekt.

Maar hierdoor gaat men voorbij aan die andere componenten van een democratische maatschappij:

  • Die van de sociale democratie: het recht op een menswaardig bestaan, op een jobzekere toekomstperspectief, een fundamenteel recht op educatie.
  • Die van de substantiële democratie. De Britse cultuurwetenschapper Paul Gilroy maakt een onderscheid tussen ‘formeel burgerschap’ en ‘substantiëel burgerschap’. Terwijl dat eerste wijst op de juridische aspecten van ons burgerschap (nationaliteit), wijst het substantieel burgerschap vooral op de ‘software’ van onze samenleving. Wie rekenen we tot onze nationale verbeelding en wie niet?

Sociale democratie
De kwesties die vaak worden aangesneden onder de noemer ‘gebrek aan integratie’, zijn vaak sociale thema’s. Het gaat dan vaak over een proportioneel hogere werkloosheidsgraad bij minderheden, omwille van hun lagere opleidingsgraad, omwille van het feit dat ze te kampen hebben met een hoge mate van armoede.

Onderwijs

  • De schoolachterstelling van minderheden: slechts 1 op 2 heeft een diploma middelbaar onderwijs op zak. Van diegene die een diploma hebben is nog een kleinere groep die ASO heeft gevolgd, de meesten zitten in TSO & BSO. En van die eerste groep volgt nog een kleinere fractie een hogere opleiding. De redenen hiervoor zijn legio, maar wat telkens opnieuw terugkomt is het gegeven dat ons onderwijssysteem er niet in slaagt om mensen wiens ouders lager opgeleid zijn te integreren.
  • Waar het hier dus fundamenteel om gaat is de kwestie van de democratisering van ons onderwijs. In welke mate slaagt ons onderwijssysteem erin sociale ongelijkheid weg te werken. Of juist omgekeerd: in welke mate houdt ze deze in stand? Als we moeten afgaan op internationale rapporten zoals het PISA onderzoek, dan moeten we vaststellen dat we in Vlaanderen nog veel werk hebben om een democratisch onderwijs te realiseren dat alle jongeren kan integreren – een onderwijs dat ook loskomt van haar kastesysteem door jongeren reeds vroeg op te delen in TSO, BSO en ASO – en dat laatste voor te behouden aan een elite, die ook maar al te vaak wit is.

Werkloosheid

  • Ook op het niveau van de werkloosheid stellen we vast dat in sommige buurten een op drie van de jongeren en soms zelfs (in wijken zoals Molenbeek) een op twee van de jongeren – werkloos is.
  • Een werkloosheid die in grote mate is geënt op de transformatie van onze arbeidsmarkt, die steeds meer mensen met diploma’s verwacht opdat die tewerkgesteld zouden kunnen worden.
  • Een werkloosheid die op haar beurt niet los te koppelen is van de nieuwe rationaliteiten van onze arbeidsmarkt, waarbij noemers als ‘flexibilisering’ en ‘rationalisering’ de nieuwe ordewoorden zijn geworden.
  • Daarbij is het belangrijk vast te stellen dat onze arbeidsmarkt niet democratisch is. Ze is niet democratisch omdat de structuur waarin ons economisch stelsel is ingebed niet democratisch is (middelen zijn in handen van een elite), en ze is niet democratisch omdat ze een groot deel van de bevolkingsgroep afstoot. Ze mogen er in, in tijden van hoogconjunctuur, maar worden dan weer als eersten afgedankt in tijden van laagconjunctuur. Wegwerparbeiders, die vooral dienen om de lege gaten te vullen. En minderheden – die vaak ook niet over de nodige middelen en capaciteiten beschikken om in aanmerking te komen voor een job – zijn daar ook een eerste slachtoffer van. De werkloosheidsproblematiek van zogenaamde ‘allochtonen’ is daarom niet los te koppelen van de structuur van onze arbeidsmarkt. De hoge werkloosheidsgraad van ‘allochtonen’ is dus vooral symptomatisch van ons maatschappelijk welzijn, en staat hier niet los van.


De substantiele democratie & pluralisme

Zo komt ze tot haar ander punt, dat van de ‘substantiele democratie’. Het gaat er hier vooral om het insluiten of ‘integreren’ van bepaalde bevolkingsgroepen in onze nationale verbeelding (= wie zien we als burger?).

Cf. vrouwen behoorden lang niet tot onze ‘nationale verbeelding’. In Frankrijk spreken ze nog altijd van ‘les droits de l’homme’ waarbij ‘l’homme’ ook synoniem staat voor de mens. De politieke gemeenschap was vooral een zaak van en voor mannen, vrouwen werden daar niet als een vanzelfsprekendheid bij gezien. Deze organisatiecultuur zorgt er dan ook voor dat vrouwen zich moeten ‘vermannelijken’ om te kunnen doorgroeien (kinderen niet prioritair mogen plaatsen, vooral aantonen dat ze kunnen loskomen van hun moederrol,…). Vrouwen moeten ook gemiddeld 2,5 beter zijn dan mannen om een baan aan de universiteit te krijgen. Een seksistische logica die op vele vrouwen doorweegt – vaak ook onbewust, waardoor velen ook gewoon afhaken omdat ze zich niet ‘bekwaam’ voelen.

Hetzelfde speelt ook bij minderheden. Minderheden zien zichzelf zelden als Vlamingen, ze worden ook zelden als Vlamingen of Belgen aangesproken, ze zijn vooral allochtonen. Het perverse effect hiervan is dan ook dat ze zich zelden betrokken of aangesproken zullen voelen door thema’s die de sociale democratie aangaan – juist omdat zij in het niche ‘multiculturalisme’ worden gestoken.

Nadia Fadil herinnert ons aan een uitspraak van de gekende Franse feministe en sociologe Christine Delphy: “het is traditioneel de ‘meerderheidssamenleving’ die een groep moet ‘integreren’. Bij ons liggen de verhouding anders – het zijn de minderheden die een integratiepoging moeten doen. Maar in onze nationale imaginaire blijven ze onverminderd als ‘allochtonen’ gelden.” Een democratisering van onze maatschappij betekent daarom komaf maken met de etnicisering die de ‘echte’ burgers vooral als de autochtonen ziet, en de andere – de minderheden – nooit als volledig ‘echte’ burgers ziet.

Zij komen aan bod in aparte werkgroepen – zoals multiculturaliteit, ze komen zelden aan bod als het gaat om wat ‘de Vlamingen’ denken, ze komen zelden aan bod om hunmening te vragen over de verkiezingen of over de communautaire twisten. Ze komen vooral aan bod rond die thema’s die er vooral toe dienen hun statuut als outsider te bevestigen: wanneer het gaat over ‘multiculturele problemen’, wanneer het gaat over criminaliteit van jonge Marokkanen etc… Alsof al die zaken losstaan van de ‘bredere samenleving’.

Een progressief project
Een laatste punt dat Nadia Fadil wil aansnijden is dat van “het progressief denken”:

Een links project moet duidelijk onderscheiden worden van een ethisch-maatschappij project. Voor mij staat de strijd van links vooral synoniem met democratisering. De democratisering van ons economisch stelsel (dat de productiemiddelen louter in handen van de aandeelhouders en gedelegeerd bestuurders laat), de democratisering van ons politiek stelsel en de democratisering van ons cultureel stelsel.

Dat laatste veronderstelt echter ook dat zij het links project niet met een specifieke ‘way of life’ associeer. Voor mij staat links zijn niet synoniem met vrijzinnigheid. Links zijn staat ook niet synoniem met een bepaalde levensstijl. Conservatieve denkbeelden moeten vooral bestreden worden vanuit een links perspectief indien ze tot intolerantie leiden. Omdat ze bepalen wie ‘erbij’ mag horen en wie niet. Zo ook met homofobie, dat in alle geledingen van de samenleving bestreden moet worden, omdat het onze bevolkingsgroep weerom op seksuele basis gaat hiërarchiseren.

Tegelijk betekent dit dat conservatieve denkbeelden niet noodzakelijk intolerant hoeven te zijn. Iemand die tegen seks voor het huwelijk is, is conservatief, maar daarom niet intolerant. Hij of zij wordt pas intolerant als hij van mening is dat seks voor het huwelijk niet mag, en voor niemand niet – en deze die het doen bestreden moeten worden.

Maar zulke intolerante denkbeelden zien we ook terugkomen vanuit een ‘progressieve hoek’. Ik zou zelfs durven zeggen dat het grootste racisme binnen links er één is dat gestoeld is op progressieve denkbeelden. “Men heeft een heel duidelijke kijk op wat emancipatie is – en de hoofddoek hoort daar duidelijk niet bij en religie evenmin. En in naam van onze ‘emancipatorische waarden’ gaan we dan ook een strijd tegen hoofddoeken (hetzij op school of elders) rechtvaardigen en legitimeren.”

Dit betekent dan ook dat de klassieke anti-religieuze opstellingen aan herziening toe zijn. Vrijzinnigheid hoeft niet anti-religiositeit te veronderstellen, en een nieuwe strijd tegen religie te legitimeren.

Nadia Fadil concludeert dan ook dat pluralisme niet haaks staat op de democratische waarde. Integendeel het past volledig in het verlengde hiervan. Het betekent immers een verdere uitdieping van wie ‘echte burger’ kan of mag zijn, en een ontmanteling van een hiërarchisch denken dat bepaalde levensvormen als waardevoller ziet dan anderen.

Pespectief 3: Sami Zemni

Sami Zemni begint met te stellen dat hij het eens is met Nadia Fadil: eigenlijk zou er geen werkgroep multiculturalisme moeten zijn, het zou over democratisering moeten gaan. Volgens Sami heeft links een kans gemist op het terrein van het multiculturalisme. De huidige debatten hieromtrent zorgen niet zelden voor een versterking en recyclering van het extreemrechtse verhaal en een wildgroei van nieuw populisme.

We moeten volgens Sami Zemni de hegemonie van rechts doorbreken. Maar er zijn volgens hem ook een aantal zaken die we niet meer uit de weg kunnen gaan. Er zijn vragen over de multiculturele samenleving. Goedbedoelde vragen, die moeten beantwoord worden.

Wat moet links nu doen? Sami Zemni haalt hiervoor een citaat van Dany Neudt (Kif Kif) aan: “We moeten de moslims niet beminnen, maar zich verzetten tegen de uitsluiting van deze mensen.” Multiculturalisme staat niet op zich, maar moet opgenomen worden als een deel van alle andere thema’s: economie, huisvesting, …

Islamdebat en het integratiedebat zijn niet verdeeld zoals men ons vaak wijsmaakt. Het gaat niet om islamofielen en tegenstanders, maar over twee tegengestelde wereldbeelden. Het ene kamp zweert bij louter culturele verklaringen, het andere kamp kijkt naar sociaaleconomische verklaringen om gedragingen van moslims te verklaren.

Links kan niet om de kritiek op de islam heen. Dat is immers de plek waar extreemrechts slapend rijk geworden is. Dat is wat Schinkel het culturisme genoemd heeft, allerlei zaken worden verklaard door cultuur. Dit denkkader, dat nieuwe fenomenen worden gezien als een uiting van essentialitische cultuur, is in opgang sinds 1989. Die culturalisering van maatschappelijk problemen kwam dus op een moment dat links in de touwen hangt.

Het antwoord van de liberalen kunnen we illustreren met het standpunt van Ayaan Hirsi Ali. Emancipatie is een individueel traject, je rukt je los van je traditie om in het licht te stappen van de westerse cultuur. Je moet je integreren in die dominante cultuur.

Maar wie is nu eigenlijk de drager van de emancipatie? Dat is zoek sinds de jaren 80, er heerst twijfel bij links. Links geeft haar corebusiness opgegeven en dat geeft een groot gat gelaten die opgevuld werd door rechts. Leven we in een wereld van ongelijkheid of een wereld van verschil? We leven volgens Sami Zemni nog steeds vooral in een wereld van ongelijkheid… maar dat betekent niet dat dat verschil er niet is…

Het is volgens Sami Zemni onmogelijk om sociale ongelijkheid te bestrijden zonder racisme te bestrijden. Rechts is daarentegen enkel tegen discriminatie maar strijdt niet tegen sociale ongelijkheid. Links moet dit wel doen. Hij besluit dan ook dat je het systeem van ongelijkheid tegelijk in het vizier moet nemen als je racisme bestrijdt, zoniet dan bestendig je die ongelijkheid.

Er is vandaag echter een extra probleem bijgekomen volgens Sami Zemni, namelijk de vraag over ‘de islam’ en de identiteitskwestie. Links heeft het hier moeilijk mee. Hoe moet links zich verhouden t.a.v. allerlei religieuze evoluties. Hij stelt dat links een nieuwe houding nodig heeft ten aanzien van religie en identiteit. Als je bv. terug naar Marx gaat, dan komt men vaak niet verder dan zijn bekend citaat over religie als opium van het volk. Maar Marx zei meer, religie maakt ook verzet mogelijk. We moeten de kritiek op aarde formuleren en niet op de hemel. We zien 150 jaar na Marx dat religie niet verdwijnt maar net aan een opmars bezig is. Links kan hiervoor niet de ogen sluiten, maar moet een nieuwe houding vinden. Tevens vindt Sami Zemni dat er binnen links ruimte gemaakt moet worden voor religiekritiek. Sami haalt hiervoor een citaat aan over kritisch relativisme. Er is een groot verschil tussen, enerzijds, de religieuze component als onderdeel van de ruimere emancipatiestrijd en, anderzijds, het opleggen van een eigen religie.

Sami Zemni lanceert enkele voorstellen:

1.)Links moet een eigen linkse politiek strijd voeren, vertrekkende vanuit de eigen idealen. In tegenstelling tot rechts, dat een selectieve verdediging van rechten en vrijheden poneert, moet links tot een ruimere bestrijding van de sociale ongelijkheid overgaan.

2.)Het hele dossier van multiculturaliteit moet door links niet behandeld worden in termen van integratie. Dat idee is volgens Sami een broeihaard van wij en zij –denken. Dergelijk denken vormt altijd de basis van stigmatisering. Links mag zich verontwaardigen over bepaalde aspecten/uitwassen van de islam. Maar het mag geen selectieve verontwaardiging over de islam zijn: ook andere vormen van orthodoxie moeten besproken worden. Onderdrukking is bv. geen probleem enkel en alleen van de moslims.

3.)Links moet volgens Sami geen steun geven aan de conservatieve opvattingen. Die conservatieve opvattingen zijn niet de eerste vijand, maar links moet ze ook geen steun geven, net omdat sommige van deze beelden niet stroken met een progressieve visie.

Sami Zemni past dit toe op het voorbeeld van de discussie over het verbod op de bouw van minaretten. Links moet daar de strijd voeren tegen dat verbod, niet omdat ze voor de islam of voor religie is, maar omdat het een uitsluiting is. Moslims kunnen hierbij een bondgenoot vormen.

Samenvattend stelt Sami Zemni: links moet tegen repressie opkomen, een krachtdadig racismebeleid voeren en het integratieconcept achterwege laten. In relatie met de houding van links ten aanzien van religie stelt Sami Zemni dat gelovigen bondgenoten en tegenstander kunnen zijn, naargelang hun denkbeelden.

2.Opmerkingen/vragen vanuit het publiek

Na de inleidende lezingen, wordt het publiek ingedeeld in verschillende werkgroepen die discussiëren over de stellingen van de inleidende sprekers. Uit deze discussies worden per werkgroep een aantal opmerkingen/vragen gedistilleerd:

Opmerkingen/vragen vanuit werkgroep 1:

Binnen deze werkgroep heersten er 2 visies:

  • Visie 1: Het is niet cultuur die voor wrijvingen/problemen zorgt, maar wel de sociaaleconomische positie. Als men werk heeft, zorgt men niet voor problemen.
  • Visie 2: er is te weinig aandacht voor de verschillen, verschillen binnen cultuur, verschillen binnen de samenleving. De diversiteit in onze samenleving zou beter erkend moeten worden. Socialisme zou voor pluralisme moeten staan (bv. erkennen dat de hoofddoek belangrijk kan zijn), eerder dan alles op één hoopje te gooien. Het erkennen van verschillen impliceert dat we ook erkennen dat, naast de sociaaleconomische aspecten, ook culturele factoren problemen kunnen veroorzaken.

Opmerkingen/ vragen vanuit werkgroep 2:

Er is een spanningsveld tussen, enerzijds, de scheiding kerk-staat en, anderzijds, de religieuze identiteit (bv. hoofddoeken voor de rechtbank kan, maar een rechter kan niet gesluierd zijn).

Er wordt gewezen op het belang van tolerantie, een tolerante manier om met die zaken om te gaan. Wat echter uit de praktijk opvalt, is dat men tolerant is voor de religie van de sociaal-economische hogere klassen, maar veel minder tolerantie aan de dag legt voor de religie van de sociaal-economisch lagere klassen.

De werkgroep wijst op een onbehagen om hierover te spreken. Vanwaar dit onbehagen? Mensen hebben blijkbaar instinctief angst voor wat vreemd is. Dit moet via de opvoeding bestreden worden. Wat ook belangrijk is, is een stevig sociaal-economisch programma dat o.a. strijdt voor werk. Ook dit laatste kan bijdragen tot het wegwerken van het onbehagen/onbegrip.

Opmerkingen/ vragen vanuit werkgroep 3:

Deze werkgroep is gekant tegen de culturalisering van problemen. Er was eensgezindheid over de stelling dat verschillende maatschappelijke problemen een gevolg zijn van een tekort aan democratie en sociaaleconomische problemen.

In tweede instantie is het dan de vraag hoe socialisten zich moeten positioneren tegenover conservatieve opvattingen en religie. Alhoewel dit geen evidente vraag is, mag dit geen breuklijn vormen binnen een socialistische beweging.

Opmerking/ vragen vanuit werkgroep 4:

Deze werkgroep legt drie verschillende vragen/stellingen voor aan de sprekers:

  • Moeten we multiculturaliteit niet gewoon laten vallen, moeten we mensen niet gewoon zien als burgers?
  • Moeten we niet weg van de identity-politics?
  • Moet het socialisme seculier zijn?

Opmerking/ vragen vanuit werkgroep 5:

Moet het multiculturalisme wel geschrapt worden? Er kan er toch een punt van gemaakt worden binnen het socialisme? Wat niet betekent dat sociaaleconomische element uit beeld verdwijnen. We hebben dus een en-en verhaal nodig: het socialisme moet het zowel hebben over het multiculturalisme als over het sociaal-economische.

Opmerking/ vragen vanuit werkgroep 6:

Het proces van democratisering is het belangrijkste punt en multiculturalisme vormt een onderdeel hiervan. Met “cultuur” wordt niet alleen nationaliteit bedoeld, maar ook cultuur van de middenklasse, van de arbeiders,…

Waar nog veel werk aan de winkel is, is het feit dat er geen gelijke maatschappelijke kansen zijn: mensen hebben een verschillende startpositie. Ook op het vlak van het onderwijs, de scholen doen te weinig om die gelijke startpositie te realiseren.

3.Reacties vanwege de panelleden (Nadia Fadil, Sami Zemni en Aleidis Devillé) – moderatie door Zohra Othman

Aansluitend op de terugkoppeling vanuit de werkgroepen, vormen de inleidende sprekers (Nadia Fadil, Sami Zemni en Aleidis Devillé) een panel dat, onder moderatie van Zohra Othman, reageert op de opmerkingen/vragen vanuit deze werkgroepen.

Wat vaak terugkwam in de werkgroepen, is de vraag of het concept “multiculturalisme” behouden moet blijven dan wel of het socialisme dit moet laten vallen? Moet dit een onderdeel vormen van de strijd voor democratisering of niet?

Sami Zemni wijst erop dat de multicultuur een feit is, een werkelijkheid. Terwijl op politiek niveau, en dan in het bijzonder politiek rechts, men zegt dat multiculturalisme de linkse ideologie is en dat links dit heeft geïmporteerd. Terwijl wij dat nooit zo zien. Multiculturalisme valt onder de democratisering maar is zeker niet het centrale punt: de democratisering blijft het belangrijkste.

Nadia Fadil wijst erop dat het een en-en –verhaal betreft. Links moet zich in elk geval sterker engageren voor de democratiseringkwestie. Niet alleen het sociaal-economische is van belang, maar ook de ruimere democratisering is cruciaal en dat behelst heel veel. Het linkse project mag niet alleen betrekking hebben op sociale herverdeling, ook al is het er een cruciaal onderdeel van. Maar ook democratisering van onderwijs, van huisvesting, van de nationale verbeelding, vormen een integraal onderdeel van de democratiseringsstrijd die links moet voeren. Anderzijds dient gewezen te worden op het feit dat het verdelingsargument reeds in de jaren 60 werd opgeworpen ten aanzien van het feminisme: “laten we de strijd niet verdelen”. Het gaat hier dus om een machtselement, want wie bepaalt de prioriteiten, wat zijn secundaire thema’s? Vandaar dat het aangewezen is dat de verschillende stemmen (feministen, minderheden,…) au sérieux genomen worden.

Welk standpunt moet het socialisme huldigen ten aanzien van religie of conservativisme (binnen religies)? Moet het socialisme seculier zijn? Hoe zit het met de kritiek op religie?

Sami Zemni wijst erop dat er verdeeldheid heerst over de vraag hoe om te gaan met conservatisme. Persoonlijk vindt hij dat links hierover een open discussie moet voeren, maar we mogen het niet zien als het centrale strijdpunt. Het moet er één zijn naast de andere strijdpunten. Het is een uitdaging om ook in dagdagelijkse situaties te leren omgaan met conservatisme. Er zijn in de praktijk immers problemen die te maken hebben met culturele factoren. Bv. een wijkfeest waar sommigen niet naartoe komen omdat er alcohol geserveerd wordt. Het is volgens Sami Zemni wel degelijk mogelijk om een linkse religiekritiek uit te bouwen die niet stigmatiseert, en in elk geval moet deze religiekritiek ingebed zijn in een ruimere democratiseringsstrijd.

Vraag/reactie hierop vanuit het publiek: bestaat er niet eerder een (politieke) onwil om een open discussie te voeren over multiculturalisme, vanuit de schrik om openlijk kleur te bekennen?

Nadia Fadil is het hiermee eens. Kijk bv. naar de Sp.a die geen standpunt durft in te nemen rond concrete kwesties als de hoofddoek. Men zwijgt liever omwille van de verdeeldheid. Nadia Fadil begrijpt de verdeeldheid en verstaat dat het niet makkelijk is, maar anderzijds ik zij ook een politiek activist. En zij wil dat haar principes vertaald worden bij de kameraden, er is nood aan stellingname. Als zij voor bepaalde waarden opkomt, voelt zij zich echter in de steek gelaten. Het probleem is dat men identiteit als een randthema ziet.

Sami Zemni repliceert t.a.v. Nadia Fadil: wat is identiteit als randfenomeen? Hij vindt dat socialisme een visie moet hebben op de manifestatie van identiteiten. Maar wat is identiteit?

Nadia Fadil: links richtte de pijlen vooral op de strijd tegen extreemrechts, tegen het VB en niet zozeer op de strijd tegen het racisme. Het gaat over een antiracistische politiek: we moeten erkennen dat het racisme een groot probleem vormt en dit probleem aanpakken.

Sami repliceert dat dit weinig met identiteit te maken heeft. Het betreft een antiracistische politiek die gevoerd moet worden.

Nadia Fadil wijst er vooreerst op dat links geen patent heeft op progressieve waarden. Ook links is soms seksistisch, islamofoob, racistisch, … We moeten hier alert voor zijn en desgevallend een duidelijke lijn trekken. Wat betreft de vraag of het socialisme seculier moet zijn, wijst Nadia Fadil erop dat dit afhangt van de vraag welk secularisme we bedoelen. Zij is voorstander van secularisme als maatschappelijk project (inrichting van de staat), maar kant zich tegen het secularisme op individueel vlak. We hebben geen behoefte aan seculiere profeten, er mag geen sprake zijn van secularisme als waardensysteem dat elk individu moet delen. Het mag dus niet gaan over seculieren die zeggen wat anderen moet doen: ook de gelovigen en de religieuze groepen moeten een rol kunnen spelen binnen de seculiere maatschappij.

Vraag/reactie hierop vanuit het publiek: extreemrechts culpabiliseert mensen van andere origine, wij hebben de arbeiders gezegd dat ze moeten zwijgen. Nu moet de discussie verder gaan, volgens deze interveniant. Hij verwijt Nadia Fadil dat ze zegt dat ze moeten zwijgen en ze culpubaliseert als zijnde islambashers, hetgeen contraproductief werkt.

Inzake de religiekritiek, meent Nadia Fadil dat dit mogelijk moet zijn doch de vraag stelt zich wie dit op zich moet nemen. Zijzelf voelt zich bv. niet geroepen om de paus te bekritiseren. Zo zijn er ook genoeg moslims die de kritiek op de (uitwassen van de) islam op zich kunnen nemen. Voor een religiekritiek die zich uit in een vrees voor een islamitische coup die gepland wordt, heeft zij in elk geval weinig respect, dit stemt totaal niet overeen met de sociologische realiteit.

Nadia Fadil stelt vervolgens volgende vragen: wat is een antiracistische opstelling? Nemen we die serieus? Wat is dat dan? Wat bedoelen we daarmee…

Aleidis Devillé wijst erop dat het secularisme een punt is dat ons verdeelt. We moeten volgens haar in eerste instantie kijken naar de structuren in onze samenleving. We moeten zien dat allochtonen achtergesteld worden, we moeten de sociaal-economische problemen bestrijden, dat vindt zij belangrijk om aan te kaarten. Blommaert schreef reeds over religie en socialisme. Het is duidelijk dat we vanuit onze analyse daar heel onwennig mee zijn. De laatste 150 jaar: gold religie is opium van het volk. Nu, de realiteit is anders, religie is hier. Blommaert heeft daar onderzoek naar gedaan. In zijn buurt zijn heel veel nieuwe evangelische kerken ontstaan en geen nieuwe moskeeën. Nu heeft dat natuurlijk met religie te maken, maar het is ook een sociaal fenomeen… die kerken bieden sociale hulp. Dat toon aan dat onze samenleving daar faalt… dergelijke analyses moeten we maken.


Vervolgens volgen nog verschillende opmerkingen/vragen vanuit het publiek:

Het is duidelijk dat we het over veel zaken eens zijn… maar wat moet links doen? Wat is de kracht van links? We weten dat er een hoge werkloosheid is. We weten dat er een gebrek is aan gelijke kansen. We moeten opnieuw de strijd voeren, zoals vroeger. Waarom organiseren we geen jongerenmarsen om druk uit te oefenen uit het beleid. We willen echte degelijke jobs, een economie die gebaseerd is op het vervullen van de behoeften van iedereen. Hoe komt het dat we de problemen zien, maar geen oplossingen zien. Waarom trekken we geen lessen uit vroeger. Hoe komt het dat het vroeger lukte en nu niet? We moeten daarover nadenken. Wat zijn de actiemiddelen. Ook vandaag is er nog geen antwoord van op de kwestie multiculturaliteit, zie bv. de besparingen in het onderwijs en wat sneuvelt er als eerste? Het steunpunt GOK en diversiteit … nochtans is dat uiterst noodzakelijk. We moeten daarover spreken en actie voeren.

Wat is racisme? Het is geen attitude, het is niet aangeboren en toch wordt het als natuurlijk beschouwd. Racisme is gebonden aan het kolonialisme en is gebaseerd op de noden van de politieke machthebbers… racisme is min of meer bewust gebruikt door degene die aan de macht zijn… Racisme moet veel duidelijker bestreden worden.

Misschien moeten we teruggaan naar de corebusiness, namelijk de klassenanalyse/strijd. De meest centrale tegenstelling is die tussen arbeid en kapitaal. Bij links zien we echter steeds meer dat men ten onrechte nalaat om te denken in termen van klassenanalyse. We zijn beginnen spreken over andere zaken: over semantiek, over politiek correcte woorden, over minderheden… al die bewegingen: homo’s, groen, minderheden… Marx wees er echter reeds op dat religie onze blik vertroebelt. We moeten het allemaal samen doen, als burgers niet als bourgeois. We moeten ons niet verdelen, niet onze eigen identiteit promoten maar samen strijden, vertrekkende vanuit de klassenanalyse.

Er moet een duidelijk antiracistisch standpunt zijn, maar dit moet gekoppeld worden aan een duidelijke antiracistische strategie waarbij arbeiders/werknemers niet geculpabiliseerd mogen worden. De antiracistische strategie die ontwikkeld moet worden, kan bestaan uit het organiseren van ontmoetingen, mekaar leren kennen, samen strijden,…

Sami Zemni wijst deze interveniant erop dat het niet gaat over culpabilisering van de gewone mens omdat hij racistische ideeën heeft, het gaat erover dat mensen erop gewezen worden dat racisme verkeerd is, dat het een verkeerde ideologie is, dat men de zaken beter vanuit een andere bril kan bekijken. Sami Zemni wil de mensen dus niet aanvallen, maar wel wijzen op bepaalde maatschappelijke structuren. Die racistische ideologie komt trouwens niet uit de lucht vallen, maar wordt geproduceerd. Net om de arbeidersklasse te verdelen.

Nadia Fadil vult aan: we moeten af van de vooronderstelling dat racisme vooral/enkel bij de arbeidsklasse zit, die ideologie zit ook bij de middenklasse en bij intellectuelen.